Wat is een carillon?

Een carillon (in het Nederlands wel ook beiaard genoemd), heeft, in vergelijking met het gelui van een kerk, minstens 23 bronzen klokken (twee octaven in chromatische volgorde, maar zonder het laagste Cis en het laagste Dis), welke met een mechanische speelinstallatie zijn verbonden (het zogenaamd stokkenklavier). Deze installatie is in zekere zin te vergelijken met de speelinstallatie van een orgel, het stokkenklavier heeft echter andere afmetingen. De toetsen voor de handen hebben een afstand van zo'n 5 cm van elkaar. Verder zijn ze gerangschikkt in twee verticale rijen zoals bij een piano. De pedalen voor de voeten lijken op de pedalen van het orgel. De laagste toetsen zijn gekoppeld met de hoogste pedalen. De toetsen en pedalen zijn aan hun achterkant verbonden met draden. Deze draden leiden tot de klokkenkamer die in een zekere hoogte boven de speler is gesitueerd. Daar zijn deze draden met tuimelaars en verdere draadsegmenten verbonden. Dit systeem beweegt uiteindelijk de klepels van de klokken.

Het aantal en het totaal gewicht van de klokken kan heel verschillen: het lichtste Duitse carillon in Altenburg / Thüringen bezit 24 klokken met een totaal gewicht van ca. 300 kg. Het carillon in Halle / Sachsen-Anhalt bezit daartegenover 76 klokken met totaal 54.980 kg.

De stokkenklavieren voldoen meestal aan een norm. Traditioneel bestaan er twee belangrijke normen: de Midden-Europese standaard en de Noord-Amerikaanse standaard. In het jaar 2006 werd een internationale standaard besloten, het WCF keyboard 2006.

Carillons worden door de carillonneur (ook beiaardier genoemd) tot klinken gebracht. De carillonneur kan erbij dezelfde artistieke en muzikale prestatie verrichten als de musicus van een symfonieorkest. Carillons mogen niet worden verwisselt met een computergestuurde muziek-automaat, want een carillon, in vergelijking met een automaat, een veruit hoger maat van differentiatie mogelijk maakt. Sommige carillons zijn echter voorzien van een (aanvullende) automatische speelinstallatie, die in staat is om eenvoudige melodiën te spelen.

 

Hoe speelt men carillon?

De carillonneur (of beiaardier) zit rechtop voor het stokkenklavier. Hij balt twee vuisten (niet te vast en niet te zwak), houdt de vuisten met de kleine vingers beneden en duwt de afgerondte stokken met dit houding van de vuisten. Wanneer de handen worden gespreid, is het ook mogelijk met iedere hand tweestemmig te spelen. De lage klokken worden met de pedalen aangeslagen. Dat betekent dat handen en voeten zes verschillende tonen gelijktijdig kunnen aanslaan. Maar het aanslaan van te veel tonen tegelijkertijd produceert, op grond van de speciale akoestische eigenaardigheden van een klok, geen harmonische klank. Vooral de kleine terts, welke het klankspectrum domineert, klinkt merkbaar onaangenaam in diepe drieklanken.
De carillonneur moet in staat zijn om de dynamica bij het duwen van stokken en pedalen zo fijn als mogelijk te differentiëren om muzikale effecten te bewerken en om een te lange nagalm van de lage klokken te vermijden.

 



© Copyright 2002-2017 Deutsche Glockenspielvereinigung e.V.

Het laatst geactualiseerd: 26 februari 2017